Nieuws

Rechten van verdediging bij fiscale controle: arrest Hof van Cassatie

Het Belgische Hof van Cassatie waakt over de uniforme toepassing van rechtsregels. Daarmee wordt bedoeld dat het Hof erop toeziet dat “lagere” rechtbanken en hoven geen uitspraken doen die met elkaar in conflict komen doordat de ene keer een wettelijke bepaling in de ene zin wordt geïnterpreteerd en de andere keer in tegenovergestelde zin. Het spreekt voor zich dat niet elke bepaling even veel ruimte tot interpretatie geeft. Klassiek is die ruimte er bijvoorbeeld bij die teksten die, kort door de bocht, “mensenrechten” uiteenzetten. Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie is een dergelijke open norm die als volgt gaat: “Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.”

Welnu, in een geschil over de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) stelde er zich een probleem met bewijsstukken die verkregen waren met miskenning van het recht op eerbieding van het privéleven. Het Hof van Cassatie werd gevraagd de knoop door te hakken, maar heeft dat voorlopig nog niet gedaan. Vooraleer het Belgische Hof positie wilt innemen, wenst het eerst een uitspraakvan het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelegen te Luxemburg, te bekomen over de vraag. Het stelde daartoe een zogenaamde “prejudiciële vraag” die, hoewel het om één lange zin gaat, op zich duidelijk is:

Dient artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat het zich, in zaken van belasting over de toegevoegde waarde, in alle omstandigheden verzet tegen de aanwending van bewijselementen die werden verkregen met miskenning van het recht op eerbiediging van het privéleven zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest, dan wel of het ruimte laat voor een nationale regeling waarbij door de rechter die moet oordelen of een dergelijk bewijselement kan worden aangewend als grondslag voor een btw-heffing, een afweging zoals hiervoor onder randnummer 4 van dit arrest omschreven dient te worden gemaakt.” (arrest Hof van Cassatie 28 juni 2018, F.17.0016.N/30)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie zal zich nu over deze vraag buigen en er een uitspraak over doen, wellicht nadat eerst de Advocaat-Generaal een opinie heeft uitgebracht (na pleidooien voor het Hof). Het betreft een bijzonder interessante zaak waarbij de uitspraak gevolgen zal hebben die het Belgische grondgebied zullen overstijgen. Het is dan ook begrijpelijk dat het Belgische Hof van Cassatie de hoogste Europese rechterlijke instantie in de zaak heeft betrokken. Wordt vervolgd.